Er was….

Bij een schrijfcursus over schoonheid en troost schreven we stukjes over mensen in ons leven die ons op een of andere manier getroost hebben, of schoonheid hebben laten zien. Hele korte stukjes, naar de vorm van het boekje Koerikoelom van Tjitske Jansen: ‘Er was….’ Zo ziet dat er dan uit in mijn leven:

Er was iemand die mij altijd leek te begrijpen. En ook kon zeggen hoe het verder moest.

 

Er was iemand die heel veel van mij hield. Die eindeloos voor mij zorgde als ik ziek was en de koekjestrommel wijd open zette toen ik onstuitbaar verdriet had over te veel huiswerk.

 

Er was iemand die altijd luisterde, ik voelde haar luisteren door de telefoon, en daarna voorzichtig iets kon zeggen waardoor ik hard moest lachen.

 

Er was iemand die overal woorden voor wist. Een schrijfster die alles benoemde, zo mooi en helder dat ik zelf ook alles wilde benoemen.

 

Er was iemand die, als ik aan de deur kwam, altijd zei: ‘Hé Marjon!’

 

Er was iemand die met mij over het allermoeilijkste in mijn leven praatte op een toon alsof het dagelijkse kost was. En niks onbesproken liet.

 

Er was iemand die met aandacht en liefde de dagelijkse dingen deed. En als ik bij haar was kon ik dat ook voelen.

 

Er was iemand van wie ik leerde dat je ook van mooie dingen kunt genieten omdat ze er zijn. Ook als je geen geld hebt om ze te kopen.

 

 

Advertenties

Hoe doe ik dit

Mijn dochter gaat naar de middelbare school. Dat zag ik natuurlijk al lang aankomen, maar nu de brief binnen is dat ze geplaatst is op de school waar ze graag naar toe wil, is het echt zo. En ik ben trots en verdrietig. Niet emotioneel met tranen, maar stil verdriet. Mijn hele lijf is ervan doortrokken. Eerst ben ik me dat maar vaag bewust, het zoemt ergens op de achtergrond. Dan neem ik waar dat ik trek krijg in zoet, in chocola. Dat is een signaal, dat weet ik inmiddels. Raar hoe iets weten en het ook echt daadwerkelijk tot je door laten dringen op het moment dat het aan de orde is twee verschillende dingen zijn. Maar als ik dan, na een heleboel chocola, voor mezelf benoemd heb dat ik me verdrietig voel is het volop aanwezig. Dan begint het denken. Waar gaat dit over, waar gaat dit precies over. Hoe kan ik dit benoemen, hoe relateren aan wat er gaande is in mijn leven. Als ik het eenmaal gelinkt heb aan mijn dochter, die al zo groot wordt en straks weer wat verder van mij weg gaat, dan blijft mijn oordeel nog over. Het oordeel over mezelf. Een beetje sentimenteel mag, maar verdriet? Het gaat goed met haar, ze straalt, ze is gezond, ze is er. Ze heeft er zin in. Ik ben de psychiater dankbaar die mij ooit uitlegde dat wie eenmaal een groot verlies geleden heeft, gevoelig blijft voor verlies. Dat neem ik nu waar bij mezelf. Ik voel mezelf verzachten. Het verdriet voelt nog even groot, maar het mag nu. Het zou alleen fijn zijn als het iets minder ruimte in zou nemen. Maar hoe doe ik dat? En dan, op een stil moment weet ik het weer: ik hoef het verdriet niet te zijn, ik kan het ook hebben. En dan voel ik mezelf weer, mijn basis-ik. En hoe het verdriet zich terugtrekt tot het een soort wolk is in mijn maag. Zo kan ik er mee leven tot het vervaagt. En ik weet dat ik nu samen met mijn dochter kan bespreken hoe ze zich verheugt en hoe spannend ze het vindt zonder haar hiermee te belasten.

Als ik, op dit punt gekomen, de vaatwasser sta in te ruimen en dit alles overdenk, zie ik hoe dit mezelf kennen de opbrengst is van veel kijken naar mezelf, van wijsheden die mensen met mij deelden en waarvan ik er enkele heb begrepen, van oefening en tijd. Het (leven) is klein en groot tegelijkertijd.

Nachtangst

Luisterend lig ik ’s nachts in bed. Als ik alleen thuis ben, hoor ik geluiden die ik anders nooit hoor. De vloer beneden kraakt anders. Geluiden van buiten. Zou dat iemand bij de voordeur zijn? Hoe klinkt dat eigenlijk, hoe zacht of hoe hard zou ik iets horen als iemand probeert binnen te komen? En wat voor soort geluid maakt dat? Zal ik zachtjes naar beneden sluipen om op mijn dochters kamer uit het raam te kijken of ik iets zie? Als ik het niet doe, en er is wel iets, zal ik later spijt hebben dat ik het niet gedaan heb. En zo verder. Het duurt lang voor ik in slaap val, en ik slaap licht, onrustig.

De volgende ochtend ben ik verbaasd het huis in volkomen normale staat aan te treffen. Deuren en ramen keurig dicht, alles onaangeroerd.

Ik krijg een tip: als je lege flessen voor de deur zet, zullen die luidruchtig omvallen als er iemand binnen komt. De eerstvolgende nacht alleen probeer ik dat uit: bierflesjes bij voor- en achterdeur. Tevreden stap ik mijn bed in. Ik ben ze te slim af geweest. Maar met deze actie blijken ‘ze’ opeens een stuk dichterbij gekomen. Keer op keer stel ik me voor hoe het zou klinken, een rinkelend geluid beneden. De angst is alleen maar groter geworden. Ik heb haar zelf verteld dat ze bestaansrecht heeft; die bierflesjes staan er toch niet zomaar? Geen bierflesjes meer de volgende nacht en dat vraagt moed, want plots voelt dat onbeschermd.

En dan, op een van de volgende nachten dat ik wakker lig te luisteren, kan ik mezelf opeens zien liggen in mijn eentje in dat tweepersoonsbed. In gedachten stijg ik boven de huizen uit en zie mijn eigen huis, onopvallend tussen al die andere gelijke huizen. Waarom zou uitgerekend mijn huis worden uitgekozen, nu, op deze nacht? Die kans is niet zo groot. Wat lig ik nou eigenlijk te doen? Het antwoord komt onmiddellijk: ik lig te wachten tot het gebeurt, ik lig er op te wachten. Op iets dat misschien wel nooit gaat gebeuren. Een grote wolk van dwaze, opgeklopte angst in een rustige en vredige omgeving. En met dat besef win ik mijn oorlog. De angst verdwijnt en komt niet meer terug. Wat overblijft is lichte waakzaamheid, maar daar kun je prima mee in slaap vallen.

Kerstrituelen

Ik loop de trap af en zie onze net versierde kerstboom staan. Plots ontroert hij me, maar waarom? Ik ga zitten om er naar te kijken. Het is een bonte verzameling, een allegaartje van glinsterende slingers, onevenwichtig verdeelde ballen, een vilten kerstman, plastic vogeltjes in allerlei kleuren. Het is niet elegant, geen geheel, geen tijdschriftkerstboom zoals ik ooit graag wilde. Hoe ik ook kijk, ik blijf een boom zien die eigenlijk niet thuis hoort in mijn woonkamer, die knullig versierd is. Door mensen, met mensenspullen. Dat is wat me ontroert. De onhandigheid er van, het onvolmaakte en tegelijk het optimisme. De kerstboom maakt onze intentie zichtbaar, ons verlangen om midwinter het licht naar binnen te halen. Daar doen we ons best voor, op onze, pardon mijn, imperfecte manier.

De hele kersttijd ben ik blij met onze boom. Voor het eerst heb ik me een kerstritueel eigen gemaakt, ik snap nu waarom ik het doe. Eigen rituelen, die echt betekenis hebben voor mij, dat wilde ik al langer.

En vlak erna viel een tweede me in: ik stond een paar weken geleden in de winkel al met een tulbandvorm in mijn handen, denkend aan de tulband die mijn moeder vroeger altijd maakte en die we in de kerstnacht aten. Niet gekocht die vorm, onhandig ding in mijn overvolle keukenla, gebruik ik zelden… Vandaag vond ik mezelf met een kant en klare tulband in mijn handen bij de supermarkt. Maar zo eentje haalt het niet bij een zelfgemaakte. Op de fiets terug naar huis overviel me een verlangen naar de kerstnacht van vroeger, naar tulband van mijn moeder, naar mijn moeder. En toen wist ik wat ik wilde: een tulband bakken voor kerst, en volgend jaar weer en het jaar daarna.

Twee eigen rituelen. Niet bedacht, maar gevonden.